Geactualiseerde beleidsstandpunten over de deelnemingsvrijstelling
06/08/2010
Op 12 juli 2010 heeft een nieuw besluit over de deelnemingsvrijstelling het licht gezien. Het besluit is een actualisering van het besluit van 26 februari 2008. Voorts is het besluit aangevuld met nieuwe beleidsstandpunten in verband met de per 1 januari 2010 ingevoerde ‘Wet Overige fiscale maatregelen 2010’. Het besluit werkt terug tot 1 januari 2010. Hierna volgen enkele belangrijke punten uit het besluit.
1. De onderworpenheidstoets
De nieuwe deelnemingsvrijstelling vanaf 2010 bevat een versoepeling van de vereisten bij het beoordelen of er sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming die onder de deelnemingsvrijstelling valt.
Hierbij zijn twee toetsen van belang: de onderworpenheidstoets en de bezittingentoets. Bij de onderworpenheidstoets wordt beoordeeld of de deelneming is onderworpen aan een belasting naar de winst die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing. Vooral over de onderworpenheidstoets is een aantal noviteiten opgenomen in het besluit.
1.1. Systeemafwijkingen
Bij systeemafwijkingen dient te worden beoordeeld of deze afwijking tot gevolg heeft dat er sprake is van onvoldoende onderworpenheid. Voor het Britse ‘Group relief’ regime was reeds bepaald dat dit kan leiden tot onvoldoende onderworpenheid. In het nieuwe besluit is dit aangevuld met een oordeel over het Zweedse consolidatieregime. Dit systeem leidt volgens de minister op zichzelf niet tot onvoldoende onderworpenheid, evenals het Britse Group relief regime. In concrete situaties dient dit dus wel altijd te worden beoordeeld.
1.2. Achterwege blijven van rente-imputatie
Er bestaat reeds een goedkeuring dat indien er geen rente wordt berekend tussen zogenoemde Britse ‘dormant companies’, dit niet leidt tot onvoldoende onderworpenheid bij de schuldeiser.
Aan deze goedkeuring op basis van de hardheidsclausule verbindt de minister in het nieuwe besluit wel de voorwaarde dat alleen voordelen onder de deelnemingsvrijstelling kunnen worden gebracht voor zover zij eventueel in het verleden ten laste van de Nederlandse winst gebrachte waardedalingen van de deelneming overtreffen.
1.3. Vaste inrichtingen
Ook is expliciet in het besluit aangegeven waarop dient te worden gelet bij buitenlandse deelnemingen die een vaste inrichting hebben in een ander land. In voorkomende gevallen dient het verdrag tussen die twee landen te worden beoordeeld voor toetsing van de onderworpenheid.
1.4. Kwalificatieverschillen
Bij kwalificatieverschillen kan het voorkomen dat er sprake is van onvoldoende onderworpenheid. Van een kwalificatieverschil is sprake als bijvoorbeeld in Nederland een buitenlandse deelneming wordt gezien als niet transparant terwijl in het betreffende land de deelneming juist wordt gezien als transparant.
De minister geeft aan dat indien er sprake is van onvoldoende onderworpenheid als gevolg van een kwalificatieverschil, een verzoek kan worden gericht aan het Ministerie van Financiën om goedkeuring te verkrijgen dat er toch sprake is van voldoende onderworpenheid.
2. Advanced Tax Rulings
Omdat er sprake is van een wetswijziging in de deelnemingsvrijstelling vervallen in beginsel de lopende ATR’s. De minister keurt echter goed dat ATR’s waarin zekerheid is gegeven over toepassing van de deelnemingvrijstelling ondanks de formele beëindiging toch in stand blijven gedurende de resterende looptijd van de ATR’s.
3. Meetrekregeling
Een belastingplichtige heeft ook een deelneming indien een met de belastingplichtige verbonden lichaam een deelneming heeft in dezelfde entiteit (meetrekregeling).
Op basis van jurisprudentie is de meetrekregeling ook van toepassing op een optierecht dat recht geeft op minder dan 5% van het aandelenbelang indien een met belastingplichtige verbonden lichaam een deelneming heeft in hetzelfde lichaam.
In dit verband geeft de minister expliciet aan dat de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is indien het verbonden lichaam een optierecht heeft van meer dan 5%. Het belang van het verbonden lichaam kwalificeert dan weliswaar voor de deelnemingsvrijstelling. Het belang van de belastingplichtige wordt echter niet meegetrokken en kwalificeert dus niet.
Neem voor meer informatie contact op met uw HLB adviseur of bel met de dichtstbijzijnde HLB vestiging.